Visserij.nl

Nieuws over de beroepsvisserij

Vissen met boomkor kent lange geschiedenis

4 min read

De boomkorvisserij is in zijn algemeenheid een vangstmethode die bij Nederlandse vissers al eeuwen in zwang is. Het is dus niet een methode die expliciet in de jaren zestig opgang maakte. In de jaren zestig was er juist sprake van een herintroductie en na veelvuldig gebruik werden er weliswaar enkele veranderingen aan het tuig toegepast, maar revolutionaire ingrepen bleven uit.

Door: W.M. den Heijer

Het basismodel stond garant voor voldoende succes en het tuig werd in de jaren zeventig louter zwaarder omdat de kotters groter en krachtiger werden. De enige opvallende aanvullingen op het tuig die in de loop der jaren plaatsvonden, waren de kettingmatten. Reeds in de vroege jaren zestig experimenteerde een kleine categorie vissers met kettingmatten in het bestaande boomkortuig.

De laatste decennia is er nogal wat kritiek op de boomkormethode losgelaten. Echter dat was meer dan honderd jaar geleden al niet anders. ‘Buiten twijfel is het in elk geval, dat ook in de Noordzee, met sommige netten, soms verbazende hoeveelheden onvolwassen en onbruikbare visch worden opgehaald, hetgeen althans de strekking moet hebben, om den vischvoorraad te verminderen’. Citaat uit: ‘Overzicht van de geschiedenis van de Nederlandsche Zeevisscherijen’ (1885) van Mr. A. Beaujon.

De huidige boomkorvisserij is feitelijk een voortzetting van de vroegere schrobnetvisserij. Met het ‘schrobnet’ of de ‘corde’ visten schuiten, pinken en later bommen in de zeventiende eeuw op platvis. In 1676 werd zelfs nog een algemeen verbod op het schrobnet uitgevaardigd omdat men dacht dat het gesleep over de bodem nadelig zou zijn. Op 22 januari 1677 werd het algemeen verbod verzacht door het toelaten der garnalenvisscherij binnen de banken, met ‘een ligte sayingh of corde’. Te Scheveningen en Katwijk is het woord saaiing (van sayingh) nog steeds in gebruik.

Een groepje hobbyisten gebruikt de saaiing om ermee op garnalen te vissen. De traditionele saaiing wordt opengehouden door een bezemsteel of een doorsnee houten stok met aan elke kanten een knuppel welke aan de onderkant verzwaard is met lood. De onderpees is doorgaans een touw met rolloodjes. Zodra de snelheid eruit is, valt de saaiing voorover, zodat de garnalen (en soms vis) er niet uit kunnen zwemmen.

Heel handig als je afhankelijk bent van windkracht of slechts aangewezen bent de benenwagen. Door aan elke kant een beugel (slof) te maken en een ketting als onderpees te gebruiken, is er een moderne versie van de saaiing ontstaan.

Uit de bovenstaande tekst blijkt dus dat ruim 300 jaar geleden al gevist werd met een corde op garnalen. De corde werd later ook wel korrestok of korreboom genoemd. Het ging toen om een corde die over de zijde werd uitgezet, gelijk een trawlnet vroeger aan boord van de zijtrawlers en trawlloggers werd uitgezet. Op historische foto’s (omstreeks 1880) van oude Britse smacks uit Brixham is te zien dat ze zijn uitgerust met een korreboom waar aan het uiteinde al een beugel (driehoekige vorm) is vastgemaakt: een ijzeren beugel die duidelijk overeenkomt met de vorm van de huidige slof (slee of schoen).

Korreboom

Met de introductie van de stoommachine in de visserij kwam er verandering in het vistuig. Deze verandering deed zich in eerste instantie in Engeland voor. Nederland en België liepen vele jaren achter. Met de korreboom of boomkor vingen de Britse smacks platvis zowel als rondvis. Nadeel was dat ze afhankelijk waren van de wind.

Toen stoommachines in de visserij gebruikt werden, bleek de boom of de korrestok niet meer noodzakelijk om het net open te houden. Een slimme visserman ontdekte dat met twee eenvoudige scheerborden het net eveneens opengehouden kon worden. En veel wijder dan de gebruikelijker korrestok. Bovendien was dit tuig lichter in gebruik. De smacks uit Brixham trokken de Noordzee in en ontdekten rijke visgronden (waar voorheen louter met zegens, lijnen – beugvisserij – en staandwant – vleet – gevist werd).

De toepassing van het schrobnet in Nederland beperkte zich aanvankelijk vooral tot de kustgebieden. Het waren immers kleine pinken en bomschuiten die hiermee visten.

Doordat reders uit Brixham met hun ottertrawl op de bekendste visgronden in de Noordzee (Klaverbank, Silverpit, Smiths Knoll) goede successen boekten, maar de afstand tot hun eigen vissershaven vrij groot was, verhuisden ze langzaam maar zeker naar Hull en Grimsby. Deze twee vissersplaatsen lagen erg centraal ten opzichte van de rijke visgronden en als gevolg daarvan vond er in beide plaatsen een enorme visserijontwikkeling plaats. Het verdere verloop is bekend.

Desondanks bleef een deel van de smacks uit Brixham toch nog vrij lang de boomkor gebruiken. In het begin van de jaren dertig viste de laatste smack vanuit Brixham met de boomkor (over de zijde). Daarna richtte iedereen zich op de ottertrawl. Pas in de jaren zestig en zeventig keert de boomkor weer langzaam terug.

De boomkorvisserij is dus niet ontstaan uit de ottertrawl. De ottertrawl (gelet op de Britse visserijgeschiedenis) is dus eigenlijk ontstaan uit de boomkor, nadat de voortstuwing van de schepen niet meer afhankelijk was van wind. (artikel: W.M. den Heijer)

In het begin van de jaren dertig viste de laatste smack vanuit Brixham met de boomkor (over de zijkant).

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *